In de afgelopen decennia is het aandeel vrouwen in het hoger onderwijs sterk toegenomen. In 1950 bestond een gemiddelde ‘klas’ nog voor bijna driekwart uit mannen, tegenwoordig is dat minder dan de helft. Het aandeel vrouwen is gestegen van ruim 26 procent in 1950 naar 52 procent in 2011. De stijging is een geleidelijke geweest met als omslagpunt het studiejaar 1999/2000. Sinds de eeuwwisseling zijn in het hoger onderwijs de vrouwen dus in de meerderheid.
Spectaculaire ontwikkeling
Het aantal hoger onderwijs studenten is enorm gegroeid. In 1950 volgden 60 duizend jongeren hoger onderwijs. Om precies te zijn 4,8 procent van de 18-25 jarigen. In 2011 is het aantal gestegen naar ruim 650 duizend; 39,7 procent van de 18-25-jarigen. Een verachtvoudiging dus. Vrouwen hebben het meest gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hoger onderwijs te volgen. In 1950 volgde 2,5 procent van de 18-25-jarige vrouwen hoger onderwijs en in 2011 41,5 procent; ruim 16 keer zoveel.
Voor meer informatie over dit onderwerp zie hoofdstuk 'Analyseverschillen jongens en meisjes' in de uitgave
OCW in Kerncijfers 2008-2012 (PDF-document, 231 pagina's - 9,1 Mb)